Waarom ‘druk’ soms eigenlijk ‘vol’ is
Waarom ‘druk’ soms eigenlijk ‘vol’ is
“Hij is altijd zo druk.”
Ik hoor het regelmatig. En eerlijk is eerlijk: als je kijkt naar wat sommige kinderen doen — bewegen, praten, steeds weer ergens anders naartoe gaan — dan lijkt ‘druk’ een logische beschrijving.
Maar als ik beter kijk, zie ik vaak iets anders.
Ik zie een kind dat vol zit.
Vol gedachten die maar blijven komen.
Vol indrukken van alles wat er om hem of haar heen gebeurt.
Vol gevoelens die zich aandienen, soms sneller dan ze te begrijpen zijn.
In de klas zie ik het gebeuren: een wiebelende stoel, vingers die over de tafelrand gaan, een lichaam dat steeds even opstaat alsof het ergens naartoe moet — maar nog niet weet waarheen.
Niet alles wat er vanbinnen gebeurt, laat zich vangen in woorden.
Dus zoekt het een andere weg naar buiten.
Via beweging.
Niet omdat het kind niet wil luisteren of stoppen,
maar omdat er nog iets “aan” staat dat aandacht vraagt.
Als we alleen kijken naar het gedrag, zien we al snel ‘te veel’.
Te druk. Te onrustig.
Maar als we het zien als volheid, verandert er iets.
Dan wordt dat bewegen geen verstoring,
maar een ingang.
Een uitnodiging om even samen te vertragen.
Om te kijken wat er speelt —
achter wat we aan de buitenkant zien.